Het einde van het gezin

hangjongerenAan ons plein hangt al een paar maanden een groepje jongens rond. We kunnen er niet van slapen. Ze roepen, lachen, scheuren rond in veel te dure auto’s, plassen op de stoep en gooien al hun plastic rond waar iedere ochtend een meneer van de gemeente moet komen opdraven.

Er is van alles te zeggen over waarom ze doen wat ze doen. Hun armoede, hun opleiding, hun afkomst. Maar er valt me nog iets op. De jongens die ik wat beter ken, hebben bijna allemaal geen vader. Die is afwezig, zit in de cel of heeft gewoon een andere vrouw.

Dat is heel normaal in arme buurten, ook bij ons. Maar liefst een derde van de kinderen hier woont maar bij één ouder (meestal de moeder). In dat cijfer zitten dus nog niet eens de kinderen die bij stiefouders wonen, of kinderen die nog een scheiding gaan meemaken. In totaal maakt misschien wel de helft van de kinderen een scheiding mee. Meer kinderen hebben een eigen iPad dan een vader in huis.

Lees verder

De biechtstoel

Eén van de mooiste kindjes die de protestanten met het katholieke badwater hebben weggegooid, is de biecht.

Je zit in een biechtstoel, dichtbij de priester, terwijl hij je niet kan zien. Je vertelt hem wat je tegen niemand anders durft te zeggen. De priester antwoordt met een korte overdenking. Hij spreekt uit dat Christus alle schuld op zich heeft genomen, en dat ook deze zonde vergeven is. Dan komt de penitentie, bijvoorbeeld dat je de komende week moet mediteren over een bepaalde bijbeltekst. Je stapt het hokje lichter uit dan je naar binnen kwam.

Lees verder

Boodschap

kassaHet is druk in de winkel vandaag. Opgejaagd door andere klanten pluk ik bij de ingang het bovenste mandje van de stapel. Als ik het op de grond zet, zie ik dat er een stukje bloemkool aan de bodem vastplakt. Ze is niet alleen: naast haar ligt een doorweekte folder met bonusaanbiedingen.
Ik zou me natuurlijk kunnen omdraaien om mijn vieze mandje te verruilen voor een schoner exemplaar, maar de aanblik van de drommen mensen die inmiddels als een stel bozige bijen rond de mandjes zoemen, weerhoudt me daarvan.
Ik verman me, bedenk dat ik sowieso maar een paar boodschappen hoef te doen. En dat vieze mandjes in ieder geval minder erg zijn dan kapotte mandjes.
Dat mijn mandje in beide categorieën valt, ontdek ik pas wanneer ik bij de diepvriesdingen sta – vlak voor de kassa’s. Als ik buk – om een pizza zo in het mandje te doen dat hij er niet bij de eerstvolgende bocht af kiepert – zie ik dat het mandje maar drie wieltjes heeft. Dat verklaart waarom ik dat onding als een onwillige zieke hond achter me aan moest trekken, terwijl al die andere mensen gracieus met hun mandjes door de gangpaden zweefden…

Lees verder

Blind

Als ik de wachtruimte binnenkom, scan ik in een fractie van een seconde de andere patiënten. Veel vette haren, kleine oogjes, overtollig buikvet. Het stoeltje waar ik plaats neem, is zorgvuldig uitgekozen. Ver weg van de vrouw met opgezette benen die een beetje stinken. Dichtbij de moeder en dochter die zwijgend naast elkaar zitten. De twee vrouwen zien er niet uit alsof ze elk moment hun hart zouden kunnen uitstorten over het weer of hun gezondheid. En dat is goed, want ik ben niet in de stemming voor geklets.

De man die ik het verst op afstand probeer te houden, zit in de hoek van de wachtruimte. Ik schat hem een jaar of veertig. Hij heeft een trainingsbroek aan, zijn hoofd is kaal en hij kijkt bozig. Hij ziet eruit als een FC Utrecht supporter. Als hij een kind heeft, dan heet-ie Jayden. Ik stel me voor dat hij in de zomer naar de Maarsseveense Plassen gaat met zijn getatoeëerde vrienden en met zijn pitbull terriër. Niet om te zwemmen maar om te barbecueën.  Als hij daar mensen ziet zoals ik, sist hij ze in het voorbijgaan iets onverstaanbaars toe.

Ik doe alsof ik de gang afspeur, op zoek naar de dokter,  en neem ondertussen de man nog een keer goed in me op. Ik kijk naar zijn handen. De handen zijn groot en een beetje zwart aan de binnenkant. Terwijl ik me afvraag waarom die handen zwart zijn (is hij automonteur? Lekte de stift waarmee hij zijn protestspandoeken maakte tegen de komst van een AZC?), schuifelen er twee mensen de hoek om. Een man en een vrouw met dikke zwarte brillen en een witte stok met rode strepen. Ze praten luid: ‘Waar zullen we gaan zitten? Het is stil, misschien zijn er niet veel mensen.’

Wij, de mensen met zicht, kijken elkaar aan, beginnen wat te kuchen en heen en weer te schuiven. Behalve de man die er uit ziet als een hooligan. Hij staat meteen op en pakt de blinde man voorzichtig bij zijn bovenarm. ‘Komt u maar, meneer’, zegt hij. Als hij de man op een stoel heeft gezet, draait hij zich naar de vrouw toe. Hij legt zijn hand op haar pols en leidt haar naar een andere stoel. ‘Zo’, zegt hij, ‘even lekker zitten’.

‘Wacht u ook op de dokter?, vraagt de blinde vrouw. ‘Ik ben met iemand mee’, zegt de man. Een paar minuten later komt een Marokkaanse man op krukken de dokterskamer uit hinken. De kale man staat op, groet zijn nieuwe vrienden en loopt samen met de hinkende man naar de uitgang.

Ik staar hem na en vraag me af hoe ik zo blind kon zijn.