Boodschap

Het is druk in de winkel vandaag. Opgejaagd door andere klanten pluk ik bij de ingang het bovenste mandje van de stapel. Als ik het op de grond zet, zie ik dat er een stukje bloemkool aan de bodem vastplakt. Ze is niet alleen: naast haar ligt een doorweekte folder met bonusaanbiedingen.
Ik zou me natuurlijk kunnen omdraaien om mijn vieze mandje te verruilen voor een schoner exemplaar, maar de aanblik van de drommen mensen die inmiddels als een stel bozige bijen rond de mandjes zoemen, weerhoudt me daarvan.
Ik verman me, bedenk dat ik sowieso maar een paar boodschappen hoef te doen. En dat vieze mandjes in ieder geval minder erg zijn dan kapotte mandjes.
Dat mijn mandje in beide categorieën valt, ontdek ik pas wanneer ik bij de diepvriesdingen sta – vlak voor de kassa’s. Als ik buk – om een pizza zo in het mandje te doen dat hij er niet bij de eerstvolgende bocht af kiepert – zie ik dat het mandje maar drie wieltjes heeft. Dat verklaart waarom ik dat onding als een onwillige zieke hond achter me aan moest trekken, terwijl al die andere mensen gracieus met hun mandjes door de gangpaden zweefden…

Een paar minuten later, als alles wat op het lijstje staat ook daadwerkelijk in het vervloekte mandje ligt, bekijk ik de rijen achter de kassa’s. Ik loop naar de kortste rij, maar wijk op het allerlaatste moment uit naar links als ik zie dat bij die kortste rij het meisje-achter-de-kassa niet achter de kassa zit.
In plaats daarvan staat ze aan het uiteinde van de lopende band. Ze is een jaar of 18, stevig gebouwd. Boven haar lichtblauwe werkblouse draagt ze een glanzend zwarte hoofddoek en om beide armen weerkaatsten tientallen zilveren armbanden het felle tl-licht.
Met een grote glimlach op haar gezicht stopt ze de boodschappen van een dikke vrouw in de zwarte stalen mand van een scootmobiel. Het gaat tergend langzaam, alsof de boodschappen van de vrouw uit louter breekbare spullen bestaan.

Maar de dikke vrouw is zo dankbaar (‘lief van je wijffie!’) en het kassameisje blijft zo vriendelijk lachen, dat iedereen in de rij haar dat trage tempo op slag lijkt te vergeven.
Een donkere jongeman, derde in de rij, draait zich om en helpt de oude mevrouw die achter hem staat haar zware spullen op de lopende band te leggen. De mevrouw zelf rommelt ondertussen wat in haar portemonnee en houdt een andere man die inmiddels bij de kassa staat nauwlettend in de gaten. Op het moment dat het kassameisje hem vraagt of hij hotelzegels wil, zwaait ze triomfantelijk met een stapeltje zegeltjes. ‘Je mag die van mij!’, roept ze, ‘Mijn kaart is al vol!’.

Mijn eigen rij gaat drie keer zo snel, maar van enige dankbaarheid richting de efficiënte kassajongen is geen sprake. De blikken zijn gericht op telefoon, lopende band of ondefinieerbaar punt in de verte.
Als ik niet beter wist zou ik bijna geloven dat dit alles in scene is gezet.
De trailer van een zoete EO film. Een campagnespotje van een linkse partij.
Maar dit gebeurt echt. Verbaasd en een klein beetje jaloers werp ik een laatste blik op de trage, verbroederde rij. Stond ik daar maar, met mijn gehandicapte mandje.
De stralende caissière had er vast iets troostends over gezegd.

Blind

Als ik de wachtruimte binnenkom, scan ik in een fractie van een seconde de andere patiënten. Veel vette haren, kleine oogjes, overtollig buikvet. Het stoeltje waar ik plaats neem, is zorgvuldig uitgekozen. Ver weg van de vrouw met opgezette benen die een beetje stinken. Dichtbij de moeder en dochter die zwijgend naast elkaar zitten. De twee vrouwen zien er niet uit alsof ze elk moment hun hart zouden kunnen uitstorten over het weer of hun gezondheid. En dat is goed, want ik ben niet in de stemming voor geklets.

De man die ik het verst op afstand probeer te houden, zit in de hoek van de wachtruimte. Ik schat hem een jaar of veertig. Hij heeft een trainingsbroek aan, zijn hoofd is kaal en hij kijkt bozig. Hij ziet eruit als een FC Utrecht supporter. Als hij een kind heeft, dan heet-ie Jayden. Ik stel me voor dat hij in de zomer naar de Maarsseveense Plassen gaat met zijn getatoeëerde vrienden en met zijn pitbull terriër. Niet om te zwemmen maar om te barbecueën.  Als hij daar mensen ziet zoals ik, sist hij ze in het voorbijgaan iets onverstaanbaars toe.

Ik doe alsof ik de gang afspeur, op zoek naar de dokter,  en neem ondertussen de man nog een keer goed in me op. Ik kijk naar zijn handen. De handen zijn groot en een beetje zwart aan de binnenkant. Terwijl ik me afvraag waarom die handen zwart zijn (is hij automonteur? Lekte de stift waarmee hij zijn protestspandoeken maakte tegen de komst van een AZC?), schuifelen er twee mensen de hoek om. Een man en een vrouw met dikke zwarte brillen en een witte stok met rode strepen. Ze praten luid: ‘Waar zullen we gaan zitten? Het is stil, misschien zijn er niet veel mensen.’

Wij, de mensen met zicht, kijken elkaar aan, beginnen wat te kuchen en heen en weer te schuiven. Behalve de man die er uit ziet als een hooligan. Hij staat meteen op en pakt de blinde man voorzichtig bij zijn bovenarm. ‘Komt u maar, meneer’, zegt hij. Als hij de man op een stoel heeft gezet, draait hij zich naar de vrouw toe. Hij legt zijn hand op haar pols en leidt haar naar een andere stoel. ‘Zo’, zegt hij, ‘even lekker zitten’.

‘Wacht u ook op de dokter?, vraagt de blinde vrouw. ‘Ik ben met iemand mee’, zegt de man. Een paar minuten later komt een Marokkaanse man op krukken de dokterskamer uit hinken. De kale man staat op, groet zijn nieuwe vrienden en loopt samen met de hinkende man naar de uitgang.

Ik staar hem na en vraag me af hoe ik zo blind kon zijn.

Hulptroepen uit Iran

Vluchtelingen worden vaak gezien als last. We willen ze wel helpen, als het er maar niet te veel worden! Nu ís helpen ook een last. Maar tegelijkertijd krijg je er zo veel voor terug en vind ik vluchtelingen een enorme zegen. Niet alleen om wie ze zijn als mens, maar ook om wat ik via hen ontdek over hoe God bezig is in deze wereld.

Lees verder