Gastvrijheid

Het is een mooie christelijke opdracht: onderdak bieden aan armen zonder huis. Doorgaans kunnen we dat outsourcen naar professionele hulpverleners. Maar soms krijg je een lastig telefoontje. Zoals vorige week.

‘Er slaapt een vrouw in het park, met een kind van twee. Mag ze een weekje bij jullie logeren?’

Tja, wat zeg je dan? Je zoekt nog even naar welke professional z’n werk niet heeft gedaan, totdat je ontdekt dat die niet bestaat. Ze is namelijk uitgeprocedeerd en dan is er geen opvang. Er zijn er te veel.
Goed, een weekje dan.

We maken een kamertje klaar, we verdelen de taken met een paar buren. Het is ook wel weer mooi, het bindt samen. Maar na een paar dagen beginnen de emoties. Verschillende stemmen, van verschillende huisgenoten. Ik citeer er een paar.

‘Dat jongetje… mijn hart brak. Als we hem maar één mooie herinnering kunnen meegeven. Zoals gisteren bij de maaltijd, toen we hem met grapjes aan het eten kregen. Wat heeft hij gelachen!’
‘Het relativeert wel je eigen sores. De problemen op mijn werk, wat doet dat er eigenlijk toe als er moeders zijn die op straat moeten slapen? In januari?’
‘Na twee dagen begon ik me af te sluiten. Die doffe ogen, die littekens… Ik moet mezelf beschermen, ik heb ook een baan, een relatie. Ik moet grenzen stellen.’

‘Na drie dagen brak ze, ze begon inténs te huilen en ze stopte niet meer. Ik wilde haar alleen maar troosten. Natuurlijk gaan we je niet op straat zetten, natuurlijk niet. En jouw zoontje ook niet, die gaat nóóit meer op straat slapen.’
‘Ze bellen voor een week, maar ze zeggen maar wat. Na die week is er niks! En dan? Dan niks? Dus wij moeten haar na die week weer op straat zetten? Ik was heel erg boos, op iedereen. Dat kan toch niet? Waarom heeft niemand ons dit verteld? Ze mag dus niet in dit land zijn? En er zijn geen organisaties voor?’
‘Als dit het is, ja, dan kunnen we beter ophouden. Wat zitten we hier dan nog idealistisch te doen met onze woongroep?’

‘Tot hoever ga je? Er verdween eten uit twee keukens. En ’s nachts werd ik wakker omdat ze naar de wc ging. Mijn privé-wc! Maar ik dacht ook: ben ik echt zo ongastvrij dat iemand niet naar mijn wc mag? Maar je bent op je hoede omdat je niet wil worden gebruikt.’
‘Nederlanders willen altijd controle houden. Onze buitenlandse huisgenoten zijn er veel makkelijker in. Die weten hoe die vrouw zich voelt. Die zitten niet zo op hun grenzen.’
‘Ik ben erachter gekomen hoe weinig we kunnen. We kunnen hun problemen niet oplossen. Dat moeten we aan God geven. Wij moeten alleen liefde geven. En erop vertrouwen dat God onze grenzen dan wel bewaakt.’

‘Toen ik ze wegbracht, naar een vriendin van haar waar ze wel een tijdje mocht blijven, voelde ik me vooral enorm opgelucht. Een opgeluchte, ongevoelige mislukkeling.’
‘Ik zou dit alle kerken toewensen, zulke gasten. Ieder kerklid een week. Dan vallen alle veilige systeempjes in elkaar. Dat zou wel een zegen zijn.’

 

Deze column verscheen eerder in het Nederlands Dagblad