Weg uit de oorlog

syrisch jongetje

‘Esther! Esther!’ klinkt een dringende jongensstem achter de flat. Ik ga kijken. ‘Esther, hij heb een mes!’ Ricardo wijst naar Nour, het jongetje dat net achter hem staat. Hijzelf staat op het trapje naar ons balkon.
‘Hallo jongens’, begroet ik ze, en tegen Nour: ‘heb jij een mes, jongen?’
‘Ja, heb ik gevonden.’ Het verbaast me dat hij niet weggelopen is toen Ricardo het aan mij bleek te gaan vertellen. Nour komt uit Syrië. Een jaar geleden sprak hij geen woord Nederlands. Nu kun je gewoon met hem praten, maar er is een probleem met hem: Nour is wel weg uit de oorlog, maar de oorlog zit nog wel in hem.

‘Hij heb een band lek gestoken’, deelt Ricardo behulpzaam mee.
‘Ja, want Ricardo zei: jij lek steken!’ stuift Nour op. Voorheen kon het hem niet schelen wat wie dan ook over hem zei, maar inmiddels voelt hij zich kennelijk genoeg verbonden om zich te willen verdedigen.
‘Aha, en jij hebt dat toen gedaan.’
Beide jongens knikken instemmend. Deze vorm van samenwerking heeft al eerder tot kapotte spullen en huilende kinderen geleid. ‘Want hij zei: jij slaan.’ Ik heb zelfs wel eens fanatiek staan preken vanaf het balkon om te voorkomen dat Nour de koplamp uit onze auto schopte, of de auto bekogelde met het brok steen in zijn al opgeheven hand. Dit alles op aanraden van Ricardo, die diezelfde middag dan bij ons geluncht had en ’s avonds ook weer van plan was mee te eten. Nour had een voorkeur voor brokken steen om dingen mee kapot te maken. Hij heeft teveel van zijn acht levensjaren tussen de bombardementen en beschietingen door gespeeld in een kapotgeschoten stad. Als hij met stukken van stoeptegels sleept, heeft hij een verre blik in zijn ogen. Alsof hij daar nog is.
Gelukkig hadden mijn kreten desondanks succes. Helaas was ik er niet bij toen het het fietsje van mijn dochter betrof. Dat is een stille dood gestorven.
‘Was het een autoband of een fietsband?’ informeer ik nu. Ik heb geleerd neutraal te blijven kijken bij kinderen die niet veel vertrouwen in de mensheid hebben. Dan rennen ze minder snel weg.
‘Een fietsband. Ik vertel het allemaal eerlijk hè’, benadrukt Ricardo zijn goede gedrag maar even. ‘Eerst loog ik altijd tegen je, maar nu kom ik het uit mezelf vertellen.’
‘Daar ben ik blij om’, zeg ik. ‘Dat doe je heel goed. Maar die fietsband is intussen dus stuk. Dat is niet zo leuk voor degene van wie die fiets is hè?’
Nee, dat denken zij ook niet. Ze weten niet van wie de fiets was; hij stond in een zijstraat. Daar valt dus niet veel aan op te lossen.
‘Mag ik dat mes eens zien?’
Zonder tegenstribbelen haalt Nour het uit zijn zak en heft zijn open handen met het mes naar me op. Het is niet veel meer dan een flink aardappelschilmesje, maar steviger en met een scherpe punt. Zijn medewerkende houding verbaast me. Tot voor kort zag ik alleen maar wantrouwen bij hem, en heel veel afstand.
‘Je kunt beter geen mes hebben joh’, zeg ik. ‘Dat is een beetje gevaarlijk hè. Misschien kun je het beter aan mij geven.’
Nour kijkt naar het mes en knikt.
‘Ik weet wat! We brengen het naar de politie!’ stelt Ricardo voor. Hij is dikke maatjes met de agenten op het politiebureau achter de flat.
‘Dat kan ook. Wat Nour het fijnste vindt.’
Nour denkt even na. ‘De politie’, besluit hij dan.
‘Goed zo. En steek maar geen banden meer lek, oké? Je hoeft niet te doen wat Ricardo zegt.’
‘Oké’, knikt Nour.
‘Nee, je moet nooit doen wat ik zeg!’ doet Ricardo belerend.
‘En jij moet zulke dingen niet zeggen’, fluit ik hem toch maar een beetje terug. ‘Komen jullie even aan mij vertellen of het gelukt is? Dan schenk ik vast drinken voor jullie in.’ Even later zijn ze terug, heel tevreden.
‘De politie zei: goed dat je hem komt brengen!’ glundert Nour.
Glunderen, dat kon hij niet toen hij net pas hier was. Nu wel.
‘Ik ben trots op jullie. Je hebt een goede keus gemaakt, Nour! Wij gaan een spelletje doen. Hebben jullie zin om mee te doen?’
Even later zitten we met z’n allen om de tafel, Nour, Ricardo, nog twee kinderen en ik. Voor de eerste keer sinds ik hem ken, gaat Nour zitten en kijkt hij niet steeds waakzaam rond. Hij kent het spel niet en spreekt de taal nog maar net, maar hij heeft binnen de kortste keren door hoe het spel werkt en is de anderen te slim af. Hij straalt als hij wint.
‘Nu moet ik gaan’, besluit hij dan na een blik op de klok.
‘Dat is goed. Ik vond het gezellig dat je erbij was!’ zeg ik.
Nour staat op en trekt zijn jas aan.
Na een groet gaat hij via het balkon naar buiten en klimt het trapje af. Beneden blijft hij nog even staan en kijkt een beetje verbaasd omhoog naar ons raam. Ik zwaai naar hem en hij zwaait terug. Dag Nour. Wat fijn dat we vandaag een beetje dichterbij elkaar konden komen!
Ik denk dat Nour het wel gaat redden. Hij is een sterk, leergierig kind. En hij is er klaar voor om weer vertrouwen te geven. In het leven van Nour zal de oorlog uiteindelijk niet winnen.