Op naar koop?

ijsvogelMet onze woongemeenschap Overhoop zijn we heel druk met de voorbereidingen van de koop van ons gebouw. Zou het ├╝berhaupt doorgaan allemaal? Zouden we er volgend jaar nog zijn? Terwijl ik door de wijk loop, en daarover nadenk, schiet er een knalblauwe ijsvogel door de lucht. Midden in de stad.

Vandaag hebben we een soort bezinningsdag met onze woongemeenschap. Een dag vasten en bidden om God te vragen of hij zich wil bemoeien met onze levens. Onze plannen om ons gebouw te kopen, plannen die klaarliggen maar slechts moeizaam door de bureaucratie komen. Het is geen kattenpis, met een paar mensen 1,2 miljoen lenen en daar doodleuk een blokkendoos van kopen. Daar kunnen we wel wat zegen bij gebruiken.

Maar we bidden ook voor onze levens, onze plannen om werk te vinden, een partner, een verblijfsvergunning. Onze hoop voor huisgenoot X die we zo graag wat licht gunnen. Voor huisgenoot Y die zo weinig uitzicht heeft in haar leven. Zouden we volgend jaar nog samenwonen?

We lezen Psalm 27, waarin de schrijver uitroept dat hij niets liever doet dan leven in Gods huis, dat hij ernaar verlangt Gods gezicht te zien in zijn tempel. Maar als we bedenken dat wij met elkaar dat huis van God zijn (niet wij in de woongemeenschap maar iedereen hier in de buurt die met God wil leven) dan is dat eigenlijk niet anders wat wij ook willen, in deze wijk, in deze buurt waar zo veel verdriet is. Dat er een huis van God zichtbaar wordt in deze wijk, en dat heel veel mensen uit allerlei landen en rangen en standen daar een rustplek in kunnen vinden. Dat is echt onze droom, dat we Gods huis zullen zien, en vooral dat we God daarin zullen zien. Met of zonder woongemeenschap.

Vandaag loop ik naar mijn werk. Deze wijk heeft zo veel moois en zo veel lelijks. Twee mensen staan midden op de weg een verkeersruzie uit te vechten. Een oude knorrige Hollandse oma roept naar een Marokkaanse buurvrouw dat ze haar vuilniszak in de container moet doen. Overvecht wordt wakker.

Maar de zon wordt ook wakker, aan de kraakblauwe hemel. Het vriest, maar de lente breekt onmiskenbaar door. Een heuse ijsvogel, die dwars over de sloot schiet, bewijst dat de natuur zich niet laat afremmen door beton. En ook de vinken hebben ineens besloten om vandaag te beginnen met hun liedjes.

Met of zonder woongemeenschap, met of zonder gebouw, de lente is niet tegen te houden, en de bouw van Gods huis is ook niet tegen te houden. De winter heeft zijn langste tijd gehad.